Make your own free website on Tripod.com

Het Wild Konijn (Oryctolagus cuniculus)

 

 

Oorsprong en geschiedenis:

 

 

Fossiele overblijselen uit opgravingen in Amerika laten toe te geloven dat het konijn tot de oudste diersoorten op de aarde behoort. Volgens sommige deskundigen is het konijn reeds 40 miljoen jaar oud. Miljoenen jaren geleden als Amerika en Europa nog tegen elkaar zatten en de gondwana vormden; hebben de konijnen zich verspreid naar Europa en Afrika ongeveer 6 miljoen jaar geleden. Volgens andere deskundige werd aangenomen dat de voorlopers van onze hedendaags konijn tijdens het tertiaire tijdvak uit AzÔe naar Europa is overgebracht en zich daarna over een groot deel van Europa heeft verspreid. Ongeveer 8000 jaar voor Christus werden de konijnen overal aangetroffen met uitzondering van het Noorden en Rusland. Het klimaat in het tertiaire was subtropisch en een tijd zelfs tropisch. Op het einde van dit tijdperk veranderde het langzaamerhand en begon de temperatuur te dalen om zo naar een ijstijdperk te gaan . De Konijnen werden door de ijstijd (noordelijk europa werd bedekt door een dikke ijslaag ) naar het Iberisch schiereiland Spaanje verdreven (waar de omstandigheden voor hun guntiger waren ). Er zijn vier van deze ijstijdperken bekend. De eerste betrouwbare gegevens dateren uit ongeveer 1100 jaar voor Christus van de reizende PhoeniciŽrs.

De toenmalige PhoeniciŽrs ( bewoners van het huidige Libanon ) waren zeer ervaren zeevaarders en ondernamen stoutmoedige tochten langs de kust van de Middelandse Zee.

Ze waagden zich zelfs op de Atlantische Oceaan waardoor ze het Iberische Schiereiland, dat ze de naam i-shaphan-im gaven hetgeen "land der klipdassen" betekende. Ze meenden namelijk dat de vele konijnen die ze op het iberische schiereiland zagen, klipdassen (shaphan of Hyray Syriacus) waren. Tijdens de bezetting van het gebied door de Romeinen kreeg het de naam Hispania, waaruit Spanje is ontstaan.

In de derde eeuw (ongeveer 250 jaar) voor Christus door de Romeinen in Spanje aangetroffen en in gesloten omheiningen (genoemd LeporariŽn) gehouden om, eenmaal volwassen, als vleesproducent te dienen. Of pasgeboren of zelf foetussen werden als lekkernijen beschouwd. Hoofdzakelijk ten behoefte van de jacht, hebben de Romeinen de konijnen meegenomen naar alle gebieden waar zij de macht in handen hadden. Dit was dus de eerste stap naar de domesticatie, het houden van konijnen als huisdieren. Na de val van het Romeinse Rijk, ten tijde van de Franken, Saksers, Friezen, Karel de Grote, de graven, de hertogen en de bischoppen tot aan de middeleeuwen blijft de konijn een half wild dier maar nog altijd het wild konijn. Het uitzetten van konijnen ten behoefte van de jacht brachten jagers en landbouwers vaak in conflicten.

Ze zijn geÔntroduceerd op de Britse eilanden door de Normannen in 12 de eeuw zoals provident van vlees en pels. Het wild konijn is overal verspreid in Engeland en in Ireland, maar zijn afwezig op Rhum en de eiland van Scilly. We vinden ze in heel Europa tot aan de Baltische zee en zelf tot in Rusland. Een wild konijn is aanwezig overal waar hij een hol kan graven: zandduinen, de spoorwegbermen, en ook in stedelijke gebieden. De terreinen die de beste gebieden zijn voor hun hol zijn ook de gebieden die hun voedsel verschaft zoals bosranden en struikgewassen. We vinden ze niet dikwijls verder als een boskant en ze verafschuwen vochtige plaatsen diep in sparbossen. Het wild konijn is niet graag in de bergen en klim bijna nooit hoger dan 500 meter.

Ze werden in Engeland, Frankrijk en Duitsland voor jachtdoeleinde op grote afgebakende gebieden gehouden.

De konijnen werden ook uitgezet ten behoeve van de kolonisten, om onderweg van vers vlees te kunnen beschikken. Op het eiland Porte Santo vermeerden de konijnen zich zo snel, dat na enige tijd de overbevolking van konijnen de dusdanige verwoestingen hadden aangericht dat het voor de mensen niet meer bewonbaar was geworden. Men merkte dat het konijn op Porto Santo veel kleiner was dan de oorspronkelijke grootte, maar inweze bleef het gelijk.

In de middeleeuwen werd er op het konijn gejaagd door de vrouwen van de edele heren. De heren maakte gebruik van de afgerichte havik. Zo ontstond de valkenjacht.

Ook in de middeleeuwen werden konijnen gehouden in de tuinen van de Franse kloosters zoals hoofdzakelijk vleesproducent, na enige tijd zelf in stallen waardoor er een sterker verhouding groeidde tussen mens en dier waarna de de minst schrikachtigen in individuele kooien werden gehouden, om er mee te fokken.

Hier werd het wilde konijn reeds een tam dier en er onstonden door mutatie verschillende kleuren en/of vlektekening, deze bleven bewaard door de beschermend milieu waar ze zich konden vermeenvuldigen (vanzelfsprekend veel groter dan tijdens het leven in het wild waar onnatuurlijke kleuren de aandacht trekt van eventuele roofdieren dan hun soortgenoten die de oerkleur vertonen). De voornoemde kloosterlingen hebben dan ook op meer selectieve vorm met deze konijnen gefokt. Hier eindigd dus de geschiednis van het wilde konijn en gaat de geschiedenis van onze verschillende konijnenrassen verder.

Van nieuwe wilde soorten was er geen sprake maar in Europa ontstonden binnen de grenzen van de soort blijvende veranderingen, die op de nakomelingen werden overgebracht.

Terug naar de konijnenpagina